EMU-saldo

EMU-saldo (bedragen x € 1 mln)

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

1. Exploitatiesaldo voor toevoeging aan c.q. onttrekking uit reserves (zie BBV, artikel 17c)

28

68

-154

-165

-60

-25

-10

2. Afschrijvingen ten laste van de exploitatie

132

133

133

119

121

120

116

3. Bruto dotaties aan de post voorzieningen ten laste van de exploitatie

50

62

31

27

36

40

39

4. Investeringen in (im)materiële vaste activa die op de balans worden geactiveerd

-236

-135

-283

-254

-186

-148

-135

5. Baten uit bijdragen van andere overheden, de Europese Unie en overigen, die niet op de exploitatie zijn verantwoord en niet al in mindering zijn gebracht bij post 4.

3

7

40

26

27

28

28

6. Baten uit desinvesteringen in (im)materiële activa (tegen verkoopprijs), voor zover niet op exploitatie verantwoord

47

8

6

7

7

7

7

7. Aankoop van grond en de uitgaven aan bouwwoonrijp maken e.d. (alleen transacties met derden die niet op de exploitatie staan)

-48

-73

-94

-138

-114

-63

-62

8. Baten bouwgrondtransacties voorzover transacties niet op exploitatie verantwoord

57

68

150

134

61

59

35

9. Lasten op balanspost Voorzieningen voorzover deze transacties met derden betreffen

-65

-70

-42

-30

-30

-29

-29

10. Lasten ivm transacties met derden, die niet via de onder post 1 genoemde exploitatie lopen, maar rectstreeks ten laste van de reserves (inclusief fondsen en dergelijke) worden gebracht en die nog niet vallen onder één van bovenstaande posten

11. Verkoop van effecten

-51

Berekend EMU-saldo

-32

16

-215

-274

-138

-12

-12

Individuele referentiewaarde ministerie BZK

-148

-172

In de Wet Hof is bepaald dat lokale overheden een gemaximeerd aandeel mogen hebben in het toegestane EMU-tekort voor de totale Nederlandse overheid, uitgedrukt in procenten van het Bruto Binnenlands Product (BBP). Hiermee komt Nederland tegemoet aan de begrotingsregels die door Europa gesteld zijn voor de totale overheid. Het aandeel van de decentrale overheden in het maximale tekort van 3% van het BBP is vastgesteld op 0,5% van het BBP voor de jaren t/m 2015, en 0,4% van het BBP in 2016. Over de EMU-tekortnorm 2017 is nog geen besluit genomen, hierover zullen in 2016 afspraken worden gemaakt.

De individuele referentiewaarde is een doorvertaling van de norm voor het totaal der gemeenten naar een afzonderlijke gemeente, op basis van de begrotingstotalen. De individuele referentiewaarde is geen strikte norm, maar geeft de afzonderlijke gemeenten wel een indicatie van hun maximale aandeel in het toegestane EMU-tekort. Het ministerie van Binnenlandse Zaken publiceert jaarlijks de individuele referentiewaarden. Voor 2016 is echter afgesproken om de EMU-tekortruimte niet nader te verdelen over gemeenten, provincies en waterschappen, met het gevolg dat er voor 2016 geen individuele referentiewaarden zijn. Dat geldt ook voor 2017 en latere jaren, gegeven dat er voor deze jaren nog geen EMU-tekortnorm voor de decentrale overheden als totaal is bepaald.

Het berekende EMU-saldo is voor 2016 en verder negatief. Echter, de cijfers uit het verleden laten zien dat het gerealiseerde EMU-saldo altijd binnen de norm is gebleven, ook als een tekort was geprognotiseerd. Oorzaak is met name het planningsoptimisme bij investeringen. Er wordt gewerkt aan het verbeteren van de kwaliteit van de ramingen.