Ontwikkelingen

Gemeentefonds

Zowel de VNG als de Raad voor de financiële verhoudingen (Rfv) hebben vorig jaar in hun advies over de tweede fase van het groot onderhoud Gemeentefonds aangegeven dat voor het subcluster VHROSV vragen resteren, waarvoor vervolgonderzoek noodzakelijk was. Ook na het verdiepende onderzoek constateerde de minister van BZK op 8 juli 2016 dat er nog steeds geen resultaten liggen die een eenduidige herverdeling rechtvaardigt. Daarvoor zijn er te veel open einden die samenhangen met de begrenzingen van de huidige verdeelsystematiek en een aantal ontwikkelingen op de onderzochte beleidsterreinen. Verder bestaat er - getuige de met een nipte meerderheid aangenomen motie op de Algemene Ledenvergadering van de VNG - onder gemeenten verdeeldheid over de wijze waarop de onderzoeksresultaten moeten worden vertaald naar een geactualiseerde verdeelsystematiek.  
De minister van BZK acht het echter van belang dat gemeenten weten waar ze in 2017 en volgende jaren aan toe zijn.  Dat vooral de kostenpatronen van de kleinere gemeenten met een groot buitengebied niet meer aansluiten op de verdeling van het gemeentefonds, vraagt om een aanpassing.  Tegelijkertijd concludeert de minister dat, ook na het verdiepende onderzoek, er te veel onzekerheden blijven bestaan om over te gaan tot het volledig en onverkort invoeren van de door onderzoekers voorgestelde nieuwe verdeelformule.  Alles afwegende kiest de minister ervoor de door de onderzoekers voorgestelde verdeling opnieuw voor 33% in te voeren. De gemeente Rotterdam heeft hiermee in de Voorjaarsnota 2016-2020 reeds rekening  gehouden (ca. € 7,5 mln). Met deze aanvullende stap van 33% extra (tot 66%) rondt de minister de herverdeling van het subcluster VHROSV af. Nieuw nader onderzoek naar de uitgaven van gebiedsontwikkeling en stedelijke vernieuwing binnen de kaders van de huidige verdeelsystematiek zal naar de verwachting van de minister tot onvoldoende nieuwe inzichten leiden. De openstaande vraagpunten kunnen volgens de minister het best worden meegenomen in het kader van de herziening van de gemeentelijke financiële verhoudingen. In deze herziening wordt ook buiten de kaders van de huidige systematiek gekeken naar toekomstige verdeelmodellen.

Onlangs is het rapport ‘Evaluatie normeringssystematiek gemeentefonds en provinciefonds 2010-2015’ aan de Tweede Kamer aangeboden. Het evaluatierapport is opgesteld door een ambtelijke werkgroep bestaande uit vertegenwoordigers van de VNG, het IPO, het ministerie van BZK en het ministerie van Financiën. De werkgroep concludeert dat de normeringssystematiek in grote lijnen voldoet aan de gestelde criteria. Belangrijk aandachtspunt is de stabiliteit van de uitkomst van de normeringssystematiek.
Er zijn drie beleidsvarianten uitgewerkt, vooral gericht op een verbetering van de stabiliteit. Er is een duidelijke afruil tussen de verschillende criteria. Vergaande verbeteringen van de stabiliteit kunnen bijvoorbeeld ten koste gaan van de actualiteit of de evenredigheid. Uiteindelijk zal een nieuw kabinet in overleg met de decentrale overheden een oordeel geven over de in een volgende kabinetsperiode te hanteren normeringssystematiek. Hierbij zal ook de (potentiële) budgettaire impact van de geschetste beleidsvarianten van belang zijn.